Europese handhavingsrichtlijn en titel 15 Rv

De voornaamste doelstelling van de Europese Unie met betrekking tot de handhavingsrichtlijn (2004/48/EG) is het harmoniseren van de handhaving van intellectuele eigendomsrechten om inbreuk op deze rechten, met name namaak en piraterij, te bestrijden. De rechtsmaatregel die de Europese Unie in de richtlijn aangeeft ter bestrijding van namaak en piraterij betreft de inzet van voorlopige voorzieningen, waaronder het bewijsbeslag. Volgens de handhavingsrichtlijn mag uit een rechtsbetrekking met een wederpartij, aan deze wederpartij worden verzocht om overlegging van bewijsmateriaal.

Indien er gevaar voor verduistering van dit bewijsmateriaal bestaat mag zelfs nog vóór de bodemprocedure tussen beide partijen is opgestart, worden verzocht om maatregelen te nemen ter bescherming van het bewijsmateriaal (in een bodemprocedure is een tegenpartij immers gewaarschuwd voor wat er komen gaat). Deze maatregelen worden getroffen zonder dat de wederpartij hierover voorafgaand wordt gehoord. De rechter treft achteraf een oordeel over deze maatregelen.

Als gevolg van de uitvaardiging van de handhavingsrichtlijn door de Europese Unie op 29 april 2004, zijn de artikelen 1019a t/m 1019i opgenomen in het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

Titel 15 Rv: Van rechtspleging in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom

De voor het bewijsbeslag meest relevante artikelen zijn:

Artikel 1019a Rv.

 

In lid 1 van artikel 1019a Rv. wordt voor de vordering van bewijsmateriaal naar het vereiste uit artikel 843a Rv. verwezen, de zogenaamde rechtsbetrekking. Volgens de parlementaire geschiedenis valt onder het vereiste van een rechtsbetrekking uit 843a Rv. bijvoorbeeld een verbintenis uit de onrechtmatige daad (6:162 BW).

 

Artikel 843a heeft betrekking op een ‘exhibitieplicht’ (‘openlegging’). Op basis van deze plicht kan afschrift of uittreksel worden gevorderd van bepaalde bescheiden bij de wederpartij. Onder bepaalde bescheiden verstaat artikel 843a Rv. “op een gegevensdrager aangebrachte gegevens”, oftewel allerlei geschriften, foto’s, films, geluidsbanden en computerbestanden. Hieronder vallen ook bescheiden als bancaire, financiële en handelsdocumenten. Artikel 1019a Rv., eerste lid, moet gezien worden als een aanvulling op artikel 843a Rv. Een andere aanvulling van 843a Rv. betreft de vordering van 1019a Rv., tweede lid, tot overlegging van ander bewijsmateriaal dan gesteld in 843a Rv., dat zich in de macht van de wederpartij bevindt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan inbreukmakende voorwerpen als cd’s, kledingstukken, lampen, maar ook formules, receptuur etc.

 

In lid 3 van artikel 1019a Rv. komt, naast het hiervoor besproken rechtsbetrekking vereiste, het tweede vereiste aan bod. Dit betreft het waarborgvereiste ten behoeve van de bescherming van vertrouwelijke informatie. Het waarborgvereiste wordt voorgeschreven in artikel 6 van de Europese handhavingsrichtlijn. De geheimhouding van vertrouwelijke informatie moet verder gaan dan het verschoningsrecht zoals gesteld in 843a Rv. uit hoofde van ambt, beroep of betrekking.

 

De Memorie van Toelichting benadrukt dat een vordering op grond van 1019a Rv. afgewezen dient te worden indien de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd in het licht van artikel 6 EVRM (“eerlijk proces”). Concurrentiegevoelige informatie zoals adresbestanden van afnemers die interessant zijn voor de concurrerende tegenpartij vallen bijvoorbeeld onder deze geheimhouding. Deze beperking van de inzagevordering doet volgens de Memorie van Toelichting geen afbreuk aan artikel 6 EVRM, waarin wordt gesteld dat partijen over dezelfde informatie dienen te beschikken ter waarborging van een eerlijk proces.

 

De vordering mag uitdrukkelijk niet uitmonden in een zogenaamde ‘fishing expedition’, die de eiser in de gelegenheid kan stellen om een onrechtmatig kijkje te nemen ‘in de keuken van de concurrent’, onder het voorwendsel dat hij zogenaamd bewijs aan het zoeken is. Artikel 843a Rv. vereist dan ook een rechtmatig belang van de eiser, namelijk de staving van haar vordering uit artikel 6 van de handhavingsrichtlijn. Volgens de kamerstukken mag de rechter altijd de afweging maken of de 1019a vordering afgewezen dient te worden vanwege ‘gewichtige redenen’ of omdat hij van mening is dat een behoorlijke rechtsbedeling ook bereikt kan worden zonder de gevorderde (bewijs)stukken.

 

Artikel 1019b Rv.

 

Artikel 1019b Rv. geeft de voorzieningenrechter de mogelijkheid om aan de verzoekende partij verlof te verlenen tot het treffen van een voorlopige maatregel ter bescherming van het bewijs. Dit kan als hij voldoende aannemelijk kan maken dat er inbreuk op een aan hem toebehorend intellectueel eigendomsrecht is gemaakt of dreigt te worden gemaakt. De rechter mag dit verlof verlenen zonder de wederpartij hier vooraf over te horen. Het gaat hier om maatregelen die bedoeld zijn om bewijsmateriaal veilig te stellen en te voorkomen dat het wordt verduisterd, vernietigd of anderszins verloren gaat. Dit betekent wel dat er naast de stelling dat er vrees voor verduistering bestaat tevens nader moet worden onderbouwd wat de gevolgen zijn van de mogelijke verduistering voor de belanghebbende.

 

Er worden in artikel 1019b Rv. niet-limitatieve voorbeelden van maatregelen genoemd, die eventueel in combinatie kunnen worden ingezet. Deze maatregelen zijn: beschrijving, monsterneming, beslaglegging, het voorlopige getuigenverhoor, het voorlopig bericht of verhoor van deskundigen en de voorlopige plaatsopneming en bezichtiging. De keuze van de maatregel is onderworpen aan overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit.

 

Het verlof voor bovengenoemde maatregelen dient conform artikel 700 Rv. per verzoekschrift te worden gevraagd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen welk rechtsgebied de vermeende inbreuk makende partij zich bevindt. In het verzoekschrift dient eveneens te worden aangegeven hoe de waarborging van vertrouwelijke gegevens zal worden geregeld, aangezien dit niet wettelijk wordt voorgeschreven. Indien dit niet in het verzoekschrift wordt opgenomen, dient de rechter het verzoek af te wijzen.

 

Het verlof en het verzoekschrift worden door de deurwaarder betekend, samen met het beslagexploit (proces verbaal), dat de deurwaarder opmaakt aan de beslagene, uiterlijk drie dagen na de beslaglegging. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 702 jo. 443 en 446 Rv. Het ligt voor de hand dat deze stukken ook voorafgaand aan de maatregelen aan de beslagen partij zullen worden verstrekt.

 

De grenzen van het verlof worden aangegeven door haar bewoordingen, ofwel door de tekst van het verzoekschrift waar de rechter een akkoord (verlof) voor geeft.

 

Artikel 1019c Rv.

 

Artikel 1019c Rv. dient als schakelbepaling. Het artikel zoekt aansluiting bij het (standaard) conservatoir beslag (onder meer bij artikel 734 Rv.) om bewijsmateriaal veilig te stellen voordat de inbreukprocedure is gestart. In artikel 1019c Rv. worden de regels over conservatoir beslag uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. De in beslag te nemen zaken, bedoeld in artikel 1019b Rv., waarnaar in de aanhef van artikel 1019c Rv. wordt verwezen, omvatten niet alleen de vermeend inbreukmakende zaken, maar ook overige in dat eerste lid genoemde zaken, namelijk de bij de productie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de op de inbreuk betrekking hebbende documenten (de administratie van de inbreuk makende zaken). Tenslotte wordt in artikel 1019c Rv. artikel 709 lid 3 Rv. (hoorplicht) uitgezonderd om te voorkomen dat de beslagene vooraf moet worden gehoord.

 

In navolging van onder meer het eerder besproken waarborgvereiste mag de verzoekende partij in beginsel niet bij de beslaglegging aanwezig zijn. De artikelen 440 lid 2 Rv. en 443 lid 2 Rv. zijn dan ook van overeenkomstige toepassing (via artikel 702 Rv.). De deurwaarder mag zich wel laten bijstaan door getuigen en/of deskundigen. Hij heeft daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor het vervullen van zijn taak. De beslagen partij en eventuele derden hebben een medewerkingsplicht. De deurwaarder moet het proces verbaal van de beslaglegging binnen drie dagen betekenen aan de betrokken partij en aan de eventuele bewaarder.

 

Voor de veiligstelling van hetgeen in beslag is genomen en de bescherming van de geheimhouding kan een gerechtelijk bewaarder worden aangesteld die de zaken onder zich houdt tot er in de hoofdzaak is beslist of partijen een schikking hebben getroffen.

 

Artikel 1019d Rv.

 

Artikel 1019d Rv. behandelt de voorschriften voor de uitvoering van de maatregelen ‘beschrijving’ en ‘monsterneming’ door de deurwaarder.

 

 

Artikel 1019e Rv.

 

Artikel 1019e Rv. geeft de mogelijkheid om in bepaalde spoedeisende zaken van de voorzieningenrechter het toestaan van een zogenaamd ‘ex parte’ verbod te vragen. In dat geval wordt de inbreukmaker bevolen zijn (dreigend) inbreukmakend handelen per direct te staken, onder verbeurte van een dwangsom. Dit rechtsmiddel kan worden ingesteld naast het conservatoir bewijsbeslag en kan gelijktijdig als verzoek worden opgenomen in het verzoekschrift.

 

Artikel 1019i Rv.

 

De eis in de hoofdzaak dient volgens dit artikel binnen een redelijke termijn te worden ingesteld. De voorzieningenrechter bepaalt deze termijn bij het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een conservatoir bewijsbeslag kan een versnelde procedure als het kortgeding niet gelden als eis in de hoofdzaak.

 

 

 

 

 

 

Copyright 2011 Riscon | Realisatie: Webdesignkampioen